3 februari 2014

Nieuw Marshallplan voor zuidoost Drenthe en (oost-)Groningen

Bodemschatten: profijt van korte duur?

De winning van aardgas heeft ons land alleen maar goeds gebracht. Althans, zo leek het tot voor kort. De aardgasvondsten werden verwelkomd als een ware zegen vooral voor het Noorden van het land. Tot de eerste aardschokken te beginnen in 1986 bij Assen de aarde opschudde. Gelet op de problemen die zich thans aandienen, kon het wel eens op een ware nachtmerrie gaan uitdraaien. Niet alleen in Groningen, maar ook in Drenthe – bijvoorbeeld bij Roswinkel – roert de bodem zich.

Door: Gezienus Evenhuis (oud-PvdA-wethouder van Emmen), Albert Huizing (PvdA-Statenlid Drenthe) en Trijntje Hummel (PvdA-Statenlid Drenthe)

Onze ruim opgezette verzorgingsstaat is mede mogelijk door de baten van de winning van de enorme voorraad van 2800 miljard kuub aardgas in de afgelopen jaren. Naar schatting is 260 miljard euro uit de bodem gehaald. Maar de voorraden beginnen op te raken.

Bij ongewijzigd beleid zal Nederland in 2022 naar verwachting meer gas verbruiken dan dat het zelf kan produceren. In 2030 loopt vervolgens de hoeveelheid gas die aan het Groninger gasveld kan worden onttrokken sterk terug.

Kijkend naar het verleden moet worden vastgesteld dat de exploitatie van bodemschatten niet tot een structurele verbetering van de regionale economie heeft geleid. Zeker niet in de Veenkoloniën een gebied waar jaren achtereen turf werd gegraven voor de energievoorziening voor Nederland. Sterker nog: in enkele regio’s is het treurnis alom. Het beschikken over een bodemschat blijkt uiteindelijk een last te zijn en het profijt voor de regio blijkt slechts van korte duur. Wij vinden dat dit moet veranderen.

Werkgelegenheid

De werkloosheid in Oost Groningen en Oost Drenthe bedraagt 11 tot 15%, met een uitschieter naar ruim 17% in Zwartemeer, een veenkoloniaal dorp puur sang. Opmerkelijk genoeg bedraagt de werkloosheid in het aangrenzende Duitse gebied slechts 3 à 4%. Daarnaast trekken nogal wat afgestudeerde jongeren weg uit de noordelijke provincies, omdat er in de eigen regio geen werk beschikbaar is passend bij hun opleiding. In onze en in de aangrenzende regio’s  zijn ook relatief veel mensen werkzaam bij een sociale werkplaats en afhankelijk van uitkeringen. Zij worden hard getroffen door de bezuinigingen hierop. De participatiewet zal naar verwachting tot een sterke stijging van de werkloosheid in onze regio leiden en tot een verdere achteruitgang van de inkomens. Door de demografische ontwikkeling is hun bezit – als ze dat al hebben – sterk in waarde verminderd dan wel waardeloos.

De spreiding van Rijksdiensten over Nederland, die deels het antwoord had moeten zijn op het tekort aan werkgelegenheid, wordt steeds verder teruggedraaid of geconcentreerd in bijvoorbeeld Zwolle. In Drenthe vond in vijf jaar tijd een krimping van de publieke sector plaats van 4,4%, terwijl er landelijk gezien een groei van deze sector plaats vond. Recente voorbeelden van die krimp zijn het sluiten van de Topografische dienst in Emmen en de flinke bezuinigingen op het gevangeniswezen met de sluiting van de gevangenis in Hoogeveen als dieptepunt.

Er zijn in Drenthe veel bedrijven werkzaam in de chemische industrie, waar de afgelopen jaren juist klappen zijn gevallen. Een aantal industriële bedrijven, zoals Philips, is in de afgelopen jaren al vertrokken uit Drenthe en Groningen. Door het CBS is eerder aangehaald dat de zorgsector groeiende is en dat provincies met relatief weinig ziekenhuizen of andere zorginstellingen hierdoor meer last van economische krimp zullen hebben.

De positie van het Noorden

In een landelijke kwaliteitskrant is in het verleden de relatie van het Noordelijk Landsdeel met het Rijk beschreven als die van een prostituee en haar beschermheer.  Zij moet al haar inkomsten afdragen aan haar beschermheer in de hoop een bijdrage voor haar dagelijks leven te krijgen met hopelijk ook nog een beetje extra om vrij te besteden. Zekerheid over haar inkomsten heeft zij niet en over de besteding van het geld heeft zij niets te vertellen. Met de jaren wordt zij minder aantrekkelijk voor de uitoefening van haar vak. Hierdoor zal ze minder geld opbrengen waardoor ze uiteindelijk gedumpt zal worden door haar beschermheer en het verder zelf maar uit moet zoeken.

Zoals eerder aangegeven zal er met de jaren minder gas aan de gasvelden onttrokken kunnen worden. Hierdoor komen de opbrengsten aan het Rijk onder druk te staan. Tegelijkertijd is de honger van het Rijk naar meer inkomsten ten behoeve van de financiering van andere zaken (hoofdzakelijk buiten het Noorden) niet te stillen.

Vergelijking met Limburg

Het Noorden van het land kent een lange historie op het gebied van de landelijke energievoorziening door de turf- en oliewinning .Na een onderbreking is inmiddels de oliewinning in Schoonebeek weer opgestart. Naast het Noorden heeft ook de provincie Limburg in het verleden lange tijd een forse bijdrage geleverd aan de landelijke energievoorziening door de steenkoolwinning. De Oostelijke Mijnstreek kampt momenteel met vergelijkbare problemen als in de Veenkoloniën. Daar komt bij dat het Rijk de bovengrondse schade die zich thans in Limburg aandient onlangs wegens verjaring tot het probleem van die regio heeft verklaard. De les die hieruit geleerd kan worden is dat ook zaken als nazorg vooraf zeker gesteld moeten worden.

Blik op de toekomst

De metafoor van de prostituee en de huidige situatie in Limburg benadrukken dat zaken niet op hun beloop moeten worden geladen. Het Noorden moet niet afwachten, maar de regie in eigen hand nemen.

Wanneer de bodemschatten uitgeput zijn verlegt het Rijk de aandacht naar elders. De schadelijke gevolgen blijven voor rekening van de regio. Het Rijk gebruikt de regio als een puur wingewest: het wil de baten, maar niet de lasten.

Kijkende naar andere olie en gas winnende landen valt op dat zij zich daar wel realiseren dat het oppompen van olie en gas niet voor eeuwig door kan gaan. Zij werken daarom hard aan de omschakeling van hun economie naar bijvoorbeeld toerisme. Dubai is daar een sprekend voorbeeld van.

De inzet die tot nu toe is getoond naar het Rijk achten wij te beperkt. Het moet vanzelfsprekend zijn dat de herstelkosten aan panden ruimhartig worden vergoed en dat waardevermindering wordt gecompenseerd. Maar wij vragen meer dan deze twee sporen. Er moet extra geld – een derde spoor – worden vrijgemaakt voor het treffen van maatregelen voor een structurele aanpassing van de  noordelijke economische structuur. Wij kunnen het niet aan ons nageslacht verkopen dat onze generatie zich met een kluit in het riet heeft laten sturen door de energiebronnen als het ware weg te geven.

Onze richting van denken

Aandacht voor het herstellen van de schade en het vergoeden van de waardevermindering is goed als start voor de discussie. Zaken voor de korte termijn moeten op korte termijn worden geregeld. Met het oog op de toekomst zijn deze twee sporen volstrekt onvoldoende.

In het nog niet zo verre verleden zijn veel plaatsen in Oost Groningen (Delfzijl, Stadskanaal)  Zuid en Oost Drenthe (Hoogeveen, Emmen) en Friesland (Drachten) in economisch opzicht op weg geholpen door het treffen van gerichte maatregelen. Als derde spoor dient in onze visie dat beleid met geld erbij opnieuw vorm en inhoud te worden gegeven. Om de regie in eigen hand te kunnen nemen, stellen wij voor om naar een soort Marshall-plan voor Drenthe en Groningen toe te werken. Niet het dichten van de gaten maar perspectief voor de toekomst na de gas- en oliewinning.

Het opzetten van een expertisecentrum kan hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Waar liggen de kansen en wat moet daarvoor gebeuren op deze te kunnen realiseren. Dit kan onder leiding van de al bestaande SNN organisatie worden gedaan of als een afzonderlijke instelling. Het doel moet zijn om te kijken hoe gelden het beste ingezet kunnen worden voor een blijvend op de toekomst gerichte gezonde economie na de olie- en gas winning.

Het creëren van een aantrekkelijk klimaat in Drenthe en Groningen voor bedrijven om te investeren in hoogwaardige arbeid kan een positieve bijdrage leveren aan de economie. Hiervoor is het nodig om te investeren in de infrastructuur (wegen, spoor, water, glasvezel). Van deze investering zullen de inwoners direct en indirect profiteren. Naast de investering in de infrastructuur is het ook noodzakelijk om extra in het onderwijs te investeren. Voor veel ouders van leerlingen is het volgen van een vervolgopleiding financieel gezien een brug te ver. Dit is niet nieuw. Dit is al jaren zo. Door investering in het onderwijs kan het opleidingsniveau in de regio worden verhoogd, passend bij de sectoren in de regio. Daartoe zou een regionaal stimuleringsbeleid opgezet kunnen worden met instrumenten als een investeringspremieregeling en fiscale voordelen.

Als wij in het Noorden niet Limburg achterna willen gaan en lessen willen trekken wat is gebeurd met de Veenkoloniën moeten wij nu de koe bij de hoorns vatten. Wij moeten nu met plannen komen en deze uitvoeren. De regie moet overduidelijk in eigen hand genomen worden. Dan kunnen wij blijvend van onze bodemschatten profiteren ook nadat deze er niet meer zijn, want…….niks doen of afwachten is geen optie meer.